
Sinterklaas was niet goed voor mij. Mijn ouders waren de eerste generatie Indische Nederlanders en wilden graag dit oer-Hollandse feest met ons, mijn zus Jacqueline en ik, vieren.
De basis-principes van dit rare feest – probeer het maar uit te leggen aan iemand uit een ander land – hadden ze wel begrepen. Alleen het doseren van de angst en opwinding hadden ze nog niet onder de knie en zo werd mij veel te vroeg duidelijk dat ik zoet moest zijn, want dan kreeg ik lekkers. En als ik stout was…
Ik weet niet wanneer ze daarmee begonnen zijn… Denk zelf dat ik een jaar of 3, 4 was en zo klein als ik was en zo groot als ik nu ben, herinner ik me de eerste confrontatie met de “Goedheiligman” als de dag van gisteren. Een angstaanjagende verschijning, met een witte baard in een rode jurk en maf hoofddeksel. Een enge oude man die met zijn zwarte posse ieder jaar weer met de boot uit Spanje kwam om kinderen in de zak te stoppen en ze te slaan met een roe . Hij had een magisch groot boek en daarin stonden alle namen van de kinderen die hij een bezoek wilde komen brengen. In dit boek kon hij in een oogslag zien welke stoute dingen je had gedaan het afgelopen jaar.
“En ik was als kind al heel stout…”
Vlak na de zomervakantie begon ik het al benauwd te krijgen. Het jaar daarvoor was ik er nog mee weggekomen, maar dit jaar zou ik vast en zeker meegenomen worden naar dat enge, verre land, ver weg van mijn familie en mijn vriendinnetjes.
Huilend stond ik op de kade tijdens de intocht van de Sint. Verstopt achter mijn moeder’s rok zag ik mijn ergste nachtmerrie binnenvaren. Daar stond hij, wuivend met één hand, zijn handen in witte handschoenen gestoken, een dikke gouden ketting om zijn nek en een gouden ring met een grote rode steen om zijn vinger.
Met een overslaand, klein en bang stemmetje zong ik de liedjes mee, in de hoop dat hij het zou waarderen en mij dit jaar weer zou sparen.
Sinterklaas kwam altijd op school. En in die tijd was er geen mogelijkheid om de oude, mij angstaanjagende baas te ontlopen. Een week voor zijn komst werd ik misselijk van angst voor de deur afgezet. Zat kaarsrecht achter mijn schoolbankje in de klas, zette elke avond braaf mijn schoen onder de witte buizen van de centrale verwarming en luisterde met bonzend hart naar de geluiden op het dak. Ik was gespitst op de trippel-trappel-trap geluiden die de witte schimmel zou maken, hopend dat het Paard van Sinterklaas de groentenkraam in mijn schoen zou waarderen en ik zo weer een pluspuntje kon maken bij De Sint.
Toegeven, het voortuizicht van kodootjes vond ik heel erg leuk, maar de consequentie: kadootjes omdat je lief bent geweest, of in die donkere zak mee naar Spanje omdat ik stout was, stond niet in verhouding. Ik wilde geen cadeautjes . Ik wilde gewoon zeker zijn dat ik de komende tijd in mijn eigen bed zou slapen. En die zekerheid, die had ik niet.
Er zijn nog ergens foto’s van mij, zittend op de schoot van een vreemde, witte man, die stonk naar sigaretten en zweet. Het eerste wat opvalt, is de angst in mijn ogen en het verdriet op mijn gezicht. Want hoe jong ik ook was, ik wist op dat moment zeker dat dit het moment was dat ik voor altijd meegenomen zou worden naar het land waar de Appel’n oranje zijn, de mensen zo zwart als roet en ik elke dag op mijn billen zou krijgen met de roe.
Deze week kwam ik een foto tegen op een bekende dames site. En zag weer diezelfde blik in de ogen van een kind. Drie keer raden wie Anonymous is…
